Sluiten
Dursy advies
Zoeken op trefwoord: Zoeken

Advies

Vaccineren

Vaccins worden toegepast om een goede actieve weerstand tegen infectieziekten op te wekken. Het paard maakt na de enting antistoffen aan, die hem beschermen tegen een infectie. In sommige gevallen kan het de ziekte niet helemaal voorkomen, maar wordt de ernst van de ziekteverschijnselen wel flink beperkt.
Vaccineren kan tegen: Influenza, Tetanus, Rhinopneumonie, Droes, Hondsdolheid en Huidschimmels.
Iedere paardeneigenaar is overtuigd van het belang van een goede vaccinatie tegen ernstige virusziekten zoals het Rhinopneumonie virus en influenza. Influenza is een zeer besmettelijke en ernstige ziekte bij paarden die, afhankelijk van de agressiviteit van het virus en het immuniteitsnivo van de paarden, van mild tot desastreus kan verlopen. Het veroorzaakt een ontsteking in de voorste luchtwegen, met koorts, een slechte eetlust, algemeen ziek zijn en hoesten. De meeste vaccins bevatten de meeste tot nu toe bekende varianten van het influenza virus en tevens de meest voorkomende oppervlakkige neusvirussen. Om een goede bescherming tegen griep op te bouwen is een goede basisvaccinatie uitermate belangrijk. Deze bestaat uit de eerste vaccinatie, 4 tot 6 weken later de tweede, en vervolgens 6 maanden later de derde. De vaccinatie dient voor influenza minimaal eenmaal per jaar herhaald te worden, voor rhinopneumonie elk half jaar. Als de besmettingsdruk groot is, zoals bij prestatiepaarden, is het beter om ook voor influenza tweemaal per jaar te vaccineren. Een veulen kan zijn eerste vaccinatie vanaf een leeftijd van zes maanden krijgen.