« naar 'Fokkerij'
Een evenwichtige voeding en voldoende vitaminen, mineralen, sporenelementen en aminozuren zijn essentieel voor een gezonde groei van het veulen. Gedurende de eerste maanden bestaat deze voeding hoofdzakelijk uit moedermelk. Daarna is het veulen aangewezen op een goed krachtvoer (ca. 1 kg per dag) en onbeperkt ruwvoer (ca. 6 kg per dag). De periode tussen de 6 en 12 maanden is de meest kritieke groeiperiode.
Spenen De meeste fokkers halen rond de 5-6 maanden het veulen in één keer bij de merrie weg. Het veulen komt circa 2 dagen, het liefst met gezelschap van een ander veulen, in een box buiten gezichts- en hoorafstand van de moeder. De merrie gaat naar een schrale weide en krijgt voor een paar dagen geen krachtvoer bijgevoerd om de melkgift tot stilstand te brengen. Het is belangrijk om het uier van de merrie in deze periode goed in de gaten te houden in verband met de kans op uierontsteking. Na een paar dagen mag het veulen weer naar buiten samen met andere veulens en eventueel een ouder paard of pony, die een oogje in het zeil houdt. Het veulen heeft als het goed is al met de merrie meegegeten van de merriebrok en is op die manier geleidelijk gewend geraakt aan het eten van krachtvoer. De overgang van melk naar kracht- en ruwvoer zal zo na het spenen waarschijnlijk vrij gemakkelijk verlopen. Het is voor de groei en een goede ontwikkeling van het bewegingsapparaat dan ook essentieel dat deze overgang zo soepel als mogelijk verloopt, zodat een groeiachterstand en onregelmatige groei wordt voorkomen. Een veulen kan het beste speciaal voor het veulen samengestelde brok en volop hooi van een zeer goede kwaliteit krijgen. Rond de 5 maanden kan het veulen zijn eerste inenting tegen influenza en tetanus krijgen en voordat hij 7 maanden oud is moet hij gechipt worden.
Soepel bewegingsapparaat Het eerste levensjaar van het veulen is van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van onder andere het kraakbeen- en het peesweefsel. Na het eerste jaar verandert hierin feitelijk niets meer. Het skelet van een pasgeboren veulen bestaat uit relatief veel kraakbeen; in het eerste levensjaar wordt dit omgezet in sterk en hard botweefsel. Stoornissen in dit 'verbenings'proces kunnen leiden tot beschadigingen aan de gewrichten (OC of OCD). Voorwaarden voor een goede ontwikkeling van het bewegingsapparaat zijn onder andere erfelijke aanleg, voldoende weidegang, een gelijkmatige groei en een goed uitgebalanceerde voeding.
De voeding tijdens de dracht en het eerste levensjaar van een paard is van groot belang voor het ontstaan én voorkomen van OC(D) Hierbij gaat het kort samengevat waarschijnlijk om: een overdaad aan calcium, een tekort aan koper, een tekort aan magnesium en een overdaad aan energie, waardoor het veulen een groeispurt krijgt. Het is daarom belangrijk om ervoor te zorgen dat het veulen genoeg goede stoffen binnenkrijgt, maar niet teveel energie en calcium. Dit kan door middel van het geven van een (mineralen)supplement. Daarnaast is voldoende beweging erg belangrijk.
Veulens en opgroeiende paarden met een mogelijke erfelijke aanleg voor gewrichtsproblemen kunnen ook zeker baat hebben bij voedingsstoffen die een positieve invloed hebben op het gewrichtskraakbeen en de gewrichtsvloeistof, zoals zwavel, chondroitine en glucosamine.